|
Wij
zeiden Moeder tegen haar.
Niet mama of ma, nee, Moeder.
Want dat is ze voor ons altijd gebleven.
Moeder.
Wij
zeiden U tegen haar.
Geen jij of gij, nee, U.
U met een hoofdletter, omdat die ene letter alles zegt.
Zij
zei 'lieve kind' tegen ons.
Niet schatje of meisje, nee, lieve kind.
Dat mochten wij bij haar zijn
Altijd.
Lieve kind.
Als
ze een van ons bij de naam wou noemen
Noemde ze perongeluk alle drie.
Marja - Yorien - Heleen.
Ze lachte er wel eens om. Ik hou van jullie allemaal, zei
ze, daar komt het van.
Daar
kwam het van, Moeder.
Daar kwam het van, dat wij mens mochten worden.
Moeder,
wij zeggen ook morgen Moeder tegen U.
Uw 'lieve kind' zeggen we er in gedachten bij.
|