De dertiende

Vandaag bleef hij thuis. Hij had speciaal een dag verlof opgenomen en geen duizend stokslagen zouden hem vandaag naar buiten krijgen, hoe heerlijk hij het ook vond om op op zijn hoogwerker te zitten. Dan maar even geen blauwe hemel boven je hoofd, zonneschijn op je huid of wind in je haar. Het risico was gewoonweg veel te groot op vrijdag de dertiende. Binnenblijven was het devies vandaag.
'Zou je dat nou wel doen?' vroeg zijn vrouw bezorgd toen ze hem na de koffie de gereedschapskist tevoorschijn zag halen.
Stilzitten kon hij niet. Een dag verlof en dan helemaal niets doen? Dat was niets voor hem. En aangezien dat schilderij nu al bijna een half jaar tegen de muur stond te wachten, had hij een mooi klusje gevonden.

'Ik zal voorzichtig zijn,' zei hij tegen zijn vrouw. 'Dan gebeuren er geen ongelukken.'

De vrouw schudde haar hoofd, liep naar de achterkamer en boog zich over haar Libelle. Dan moest hij het ook zelf maar weten. Hij was altijd al eigenwijs geweest, vanaf het begin toen ze hem pas leerde kennen. Na een half jaar besloten ze te trouwen in de kleine kerk in Z. waar volgens oud gebruik alle mannen links en alle vrouwen rechts in de kerk plaats namen. Maar zij had een grote familie, die bovendien hoofdzakelijk uit vrouwen bestond. Zes zusters en een aantal ongetrouwde tantes en een paar oudtantes die inmiddels weduwe waren geworden. En ook al haar vriendinnen zouden er zijn.
Ze voorzag een probleem. Hij niet. Hij wilde niet naar haar luisteren toen ze de kerk een week voor de bruiloft aan het verkennen waren en zij met een zuinig mondje wees op het kleine aantal zitplaatsen aan de rechterzijde van het gangpad. 'Dat zal allemaal wel loslopen,' lachte hij.
Hun trouwfoto stond al meer dan dertien jaar op het dressoir en elke week als ze hem afstofte dacht ze er weer terug aan wat de mooiste dag van haar leven had moeten worden. Uiteindelijk had het meer dan een half jaar geduurd voordat alle ruzies van die dag waren bijgelegd. Haar familieleden zagen bij binnenkomst immers al gauw dat er voor een plekje aan de rechterkant gevochten zou moeten worden. En dat hadden ze dan ook in volle overtuiging gedaan. Tante Susan had het haar naderhand tot in de puntjes uit de doeken gedaan, want zíj zat er als bruid natuurlijk met haar rug naar toe. Zij had alleen maar gehoord dat er iets loos was.
Haar nicht Christine was begonnen. Die was met haar handtas gaan zwiepen, waarop het zorgvuldig vastgespelde kapsel van Tante Marijke helemaal in de war raakte, waarop haar oudste zus op Christine afstormde en ook enkele vriendinnen in haar kielzog meekreeg. Terwijl de dominee zijn tekst zo goed en zo kwaad als het ging probeerde te vervolgen, rollebolden haar vrouwelijke familieleden en vriendinnen gezamenlijk door het gangpad. De gilletjes galmden onder het gewelf. De mannen in het nauwelijks gevulde linkergedeelte van de kerk hadden allemaal hun hoofden afgewend. 'Als vrouwen ruzie hebben,' had haar schoonvader haar later uitgelegd, 'en ze gaan met elkaar op de vuist, of liever gezegd op de handtas,' schaterde hij, 'dan valt er niets meer aan te doen.'
Er was ook nog een deegroller aan te pas gekomen, had Tante Susanne verteld. Haar oudtante Marianne had zo'n ding meegenomen. Ze had hem bedoeld als cadeau en er een prachtig rood papiertje omheen gedaan, maar dat wapperde al gauw als een vaandel achter haar aan toen zij als een dolle stier door het gangpad rende.
'Het zal allemaal wel loslopen,' had haar kersverse echtgenoot gezegd? Nou, uit de hand lopen, bedoelde hij zeker. Elke keer als ze er aan dacht kon ze wel huilen.

Zo eigenwijs was hij. Ze wist het donders goed toen ze met hem trouwde. Maar ze had zich er bij neergelegd. Tegenwerpingen, waarschuwingen, pressie noch chantage waren er tegen opgewassen. Dus als hij nu zo nodig een schilderij wou ophangen, op vrijdag de dertiende, dan moest hij dat maar doen. Ach, en eigenlijk vond ze het ook wel fijn dat het schilderij nu eindelijk op zijn plaats kwam.
Even later stond het huis te rammelen op het ritme van de drilboor.
Ze bladerde wat in de Libelle, zonder echt iets te lezen. Na een tijdje stopte het geraas. De stilte suisde in haar oren. Even hield ze haar adem in. Zou alles goed zijn? Moest ze niet even… Maar nu hoorde ze tot haar geruststelling het kloppen van een hamer. Ze sloeg de Libelle dicht en legde hem op het stapeltje op het dressoir, naast de trouwfoto. Nu hield ook het kloppen op.
Ze had hem helemaal niet horen vloeken, gelukkig. Ze stond op en liep naar de voorkamer, waar haar oog onmiddellijk viel op het schilderij, pontificaal in het midden van de muur. Een klein hoopje wit stof op de vloerbedekking eronder. Dat zou ze zo wel opzuigen. Haar man stond op een paar meter afstand kijken, trots, met de handen in de zij.
'Nou?' zei hij toen hij haar in het visier kreeg.
Ze knikte goedkeurend.
'En geen ongelukjes!', zei haar man triomfantelijk.
Zo kon hij ook zijn. Eigenwijs, en dan ook nog eens triomfantelijk als hij gelijk had gekregen. Toch hield ze van hem. Die eigenwijsheid maakte hem immers ook tot een krachtige persoon, onverwoestbaar, een rots in de branding. Niet zo slap en week zoals sommige echtgenoten wel konden zijn. Kerels die een schort droegen als ze weer eens voor hun vrouw moesten koken. Ze had vriendinnen die met zulke watjes getrouwd waren. Godzijdank bleef dat kleffe gedoe haar bespaard.
Ze zag dat het schilderij precies op de goede plek terechtgekomen was. Haar man had toch maar mooi zonder één ongeluk in zijn eentje een schilderij aan de muur gehangen, op vrijdag de dertiende nog wel. Ze keek glimlachend naar hem op, naar zijn stoere wenkbrauwen en de lijntjes aan weerszijden van zijn ogen, die door andere mensen wel kraaienpootjes werden genoemd, maar die zij liever als lachrimpeltjes betitelde. Hij was nog altijd aantrekkelijk, ook na dertien jaar nog.
Opeens verdwenen zijn lachrimpeltjes, zijn wenkbrauwen daalden, zijn voorhoofd fronste. Ze schrok. Wat was er? Was het het schilderij toch niet op de goede plek terechtgekomen? Ze keek naar de muur en toen zag ze het ook. Ook haar wenkbrauwen fronsten. Want zag ze daar boven het schilderij niet een raar kronkelend lijntje lopen, dat verder naar boven kroop als een riviertje? En zag ze niet nóg zo'n lijntje ontstaan, en nog een? En nog eentje? En hoorde ze nu niet een verontrustend geritsel en zag ze daar niet wat kalk van de muur vallen?
De muur barstte open als een uitgedroogde rivierboden en met een bons sloeg het schilderij op de grond, waardoor de lijst kraakte en brak. Een stuk kalk viel er met geraas bovenop en even later stortte de hele muur in, terwijl hij in zijn val ook nog een groot stuk plafond mee naar beneden sleurde.
Zij stonden nog, zij en haar man naast elkaar, witgekalkt en versteend van schrik, omringd met puin en steen, als standbeelden op een voetstuk. Zo stonden ze nog toen de stofwolk was opgetrokken, rechtop, met de blauwe hemel boven hun hoofd, zonneschijn op hun huid en wind in hun haren. En hij had nog wel zo zijn best gedaan.


©


Yorien van den Hombergh
13 augustus 2004

reageer!

Naam:
E-mail:
Reactie op:
Opmerking: