Ingelopen
Ik kies het
Hoeksemapark uit om mijn zojuist aangeschafte wandelschoenen uit
te proberen. Parken zijn aangelegd voor wie midden in de stad
plotseling behoefte heeft aan zuurstof. Elke zichzelf respecterende
plaats in Nederland beschikt over zo'n aangelegd en goed onderhouden
stukje groen. Kronkelige paden, knusse bankjes en verfrissende
fonteinen vallen de bezoeker ten deel. Sommige parken zijn omgeven
met een hek, bij andere vormen bosschages de grens met de betonnen
buitenwereld. Het ene park kent rechte lijnen, strakgeschoren
heggetjes en symmetrische bloemperken, netjes gerangschikt naar
kleur en vorm. Maar het Hoeksemapark kiest voor een meer organische
aanpak, waarbij paden zich langs onverwachte wilde bloemenzeeën
kronkelen en soms plotselinge doorkijkjes bieden.
Vast onderdeel van elk park vormen de bomen. Eeuwenoude exemplaren
die 's zomers ruisen in de wind, of pas aangeplant jong spul dat
nog met een blankgeschuurde paal in het gelid moet worden gehouden.
Een beetje park heeft ook een vijver, waar jonge kinderen uitgelaten
oude boterhammen naar reikhalzende eenden werpen.
Ik doe komende zomer voor het eerst mee aan de vierdaagse en trainen
is bepaald geen overbodige luxe, merk ik. De nieuwe schoenen zijn
nog behoorlijk stug. Amper heb ik honderd meter gelopen of ze
beginnen al te knellen. Ik blijf even staan op een kruispunt van
paden.
Parken met verharde paden zijn meestal vergeven van jongeren op
skateboards of rolschaatsen, jonge moeders met kinderwagens, ouderen
met rollators of in rolstoelen, en soms zelfs een opgevoerde brommobiel.
De eenvoudige wandelaar waant zich daar niet veilig. Het Hoeksemapark
beschikt uitsluitend over grind- en schelpenpaden. Daar loopt
alles wat rolt gelukkig al snel hopeloos vast. Hier roetsjt geen
skateboard, rolschaats of rollator voorbij. Het wemelt er juist
van de wandelaars op stevige stappers. Schoenen met een fikse
zool doorploegen hier knerpend het grind, al dan niet in het gezelschap
van opgewekt kwispelende beesten. En fanatiek hijgende joggers,
die kom je er ook vaak tegen. Maar het is een bewolkte doordeweekse
middag in maart. Vandaag is er geen mens te bekennen.
De bomen zijn goeddeels nog kaal. Een paar struiken vertonen veelbelovende
lichtgroene knopjes, maar het meeste loof ontbreekt. In de kleine
vijver drijft het loof van vorig jaar nog rond. Eenden zijn er
niet te zien, evenmin als kinderen. Wel graast er een groepje
ganzen op de wal, om zich voor te bereiden op de terugreis naar
het noorden.
De paden links en rechts van mij zijn verlaten. Ik schud mijn
benen om de beurt los. Ik probeer de opkomende pijn in mijn kleine
teen te negeren. Als ik nu al opgeef, kan het natuurlijk niets
worden in Nijmegen.
Ik sla rechtsaf, het pad langs de vijver op. Het grind knerpt.
De pijn verergert. Eén ronde zal ik vandaag toch minstens
moeten doen. Dan twee dagen rust en overmorgen twee rondjes, daarna
drie, en zo bouw ik mijn training langzaam op tot aan de vierdaagse.
Maar mijn grote teen laat zich nu ook gelden.
Ik hoor snelle voetstappen achter mij en even later word ik ingehaald
door een snuivende jogger in een glimmend pak. Hij is in een mum
van tijd voorbij en uit het zicht verdwenen. Ik zet mijn tanden
op elkaar en stap flink door. Mijn kleine teen begint heftig te
protesteren. Misschien moet ik proberen het gewicht van mijn voet
te verplaatsen naar mijn hiel. Ik zet een paar stappen op deze
manier, maar nu schuren mijn knieën tegen elkaar. Dat is
geen doen, zo. Kom op, even doorbijten.
Weer hoor ik voetstappen achter mij. Minder snel dan van de jogger,
maar sneller dan die van mij. De voetstappen komen dichterbij
en als ze bijna naast mij zijn, vertraagt het tempo. Ik kijk opzij.
Een lange man met een colbert en stropdas komt naast mij lopen,
hij komt me vaag bekend voor, maar ik weet niet waarvan.
'Hallo,' zegt hij.
'Goedemiddag,' zei ik terug. Wat wil die man van mij? Komt hij
een praatje maken? Ik kijk weer voor me en knijp mijn handen tot
vuisten om de pijn in mijn tenen niet te voelen. De man blijft
naast mij lopen. We passeren een bankje. Ik heb onweerstaanbare
behoefte om even te gaan zitten, maar met die man erbij kan dat
natuurlijk niet. Hij kan het verkeerd opvatten en dan kom ik niet
meer van hem af.
'U loopt niet zo lekker, hè,' zegt hij.
Oh, hij gaat zich ermee bemoeien. Een kenner. Ik blijf strak voor
me kijken, terwijl we stevig blijven doorlopen. Ik voel het vel
inmiddels loskomen van mijn linker kleine teen.
'Dat is zeker wel te zien, hè,' zeg ik half in mezelf.
Hij moet me daarnet hebben zien klungelen toen mijn knieën
tegen elkaar schuurden. Hij kan het niet langer aanzien en komt
me ongevraagd adviezen geven. Of heeft hij iets anders in de zin?
Mijn linker sok voelt plakkerig aan.
'Nou, om eerlijk te zijn,' zegt de man. 'Ik denk dat het aan uw
schoenen ligt
'
Ah, nou weet ik weer waar ik hem van ken. Hij deed een klein uur
geleden erg zijn best om mij het duurste merk aan te praten, waar
hij overigens uitstekend in geslaagd is. Ik laat me namelijk erg
gemakkelijk beïnvloeden en op prijzen let ik nooit zo. Ik
hoefde niet eens meer te passen, ik trok meteen mijn portemonnee.
Een gemakkelijke klant. Maar ook de duurste schoenen kunnen je
voeten gemakkelijk tot bloederige pap vermalen.
'Ik ben ze aan het inlopen,' zeg ik, terwijl ik probeer te glimlachen,
maar het wordt meer een grimas, want zojuist heeft de nagel van
mijn grote teen er de brui aan gegeven. Een scherpe pijn doorklieft
mijn hele voet. Ik kan niet meer verder, ik blijf staan onder
de kale wilgen, half voorover, met mijn handen in mijn zij.
'Ja, dat snap ik.'
De man praat onverstoorbaar door, terwijl ik zoveel mogelijk lucht
naar binnen zuig om niet te kreunen.
' U hebt ze zojuist bij mij gekocht, maar het klopt niet,' zegt
hij.
Ik kijk naar hem op. 'Het klopt niet? Ik heb toch contant betaald?'
piep ik.
'Ja, ja, u hebt betaald. Ja zeker.'
Ik heb de schoenen buiten de winkel direct aangetrokken en mijn
oude stappers in de prullenbak gepropt. Heeft die man dat gezien?
Is hij dat hele eind vanuit de winkel achter mij aan gelopen om
te kijken hoe ik loop? Ik moet zeker anderhalve kilometer hebben
afgelegd op die rotdingen. Ik heb zelfs nog even stilgestaan op
het kruispunt en toen was hij nog in geen velden of wegen te bekennen.
Stond hij toen misschien achter een boom?
Ik kom weer overeind. Ik zou die dure krengen op dit moment het
liefst allebei onmiddellijk aan hun veters in de wilgen hangen
en op sokken naar huis proberen te komen. Maar ik laat me natuurlijk
niet kennen.
'Wat klopt er dan niet?' zeg ik, terwijl ik mijn tanden nauwelijks
van elkaar krijg. Nijmegen glipt door mijn vingers. Nee, wandelen
is eigenlijk niks voor mij.
'Verkeerde maat,' zegt de man luchtig. 'Loopt u even mee terug
naar de winkel? Dan kunt u ze inruilen. De goede maat staat nog
op de toonbank. Ik heb u de verkeerde meegegeven.'
Hij kijkt naar mijn voeten. Hij moet nu toch een vermoeden hebben
van het bloedbad dat hij het afgelopen half uur aan de binnenkant
van het stevige waterdichte leer heeft aangericht. Helemaal teruglopen?
'Nee, dat hoeft niet,' zeg ik.'Deze zitten prima.'
De tranen staan mij in de ogen. Ik draai me om en zie in de verte
een taxi naderen. Gauw steek ik mijn hand op.
|